Pulau Weh; witte zandstranden, wuifende palmbomen en een azuurblauwe zee

De reis van Bukit Lawang begint met een becak (gemotoriseerde taxi) naar het busstation, van daar een minibusje naar Binjai. De minibus vertrekt bijna leeg en rijdt vrij snel, maar al snel rijden we stapvoets om meer passagiers op te pikken. Het minibusje waar in Nederland acht mensen in zouden hebben gepast zit na een uur vol met 18 mensen, waarvan een aantal op het dak zitten en aan de zijkant van de bus hangen. We zitten twee uur lang als garnalen in een ton en de buschauffeur kan amper bij de rem en hangt half uit het raam. Hij vind het erg leuk om zo eng mogelijk in te halen en vaak moet hij zijn arm snel naar binnen trekken om niet geraakt te worden door een tegenligger, bij iedere inhaalmaneuvre heeft hij een koor van gillende vrouwen achter en naast hem in de bus.

We zijn blij als we in Binjai kunnen uitstappen, dit is een stad een uur voor Medan. Alle toeristen worden vanuit Bukit Lawang helemaal naar Medan gestuurd voor de hoofdprijs, maar wij hebben van onze gezellige Indonesische jongens bij het laatste guesthouse het advies gekregen om in Binjai de nachtbus te pakken vanaf het busstation. Dat scheelt een uur op en neer naar Medan. Het is best een beetje spannend want alle touroperators zeggen dat deze route niet klopt, en weigeren ons zelfs buskaartjes te verkopen. Sterker nog, het stadje Binjai staat niet op de kaart van onze reisgids. Opik (die ons de sluiproute heeft uitgelegd) heeft familie in Bandah Aceh en maakt de rit twee keer per maand, en hij heeft zijn telefoonnummer aan ons gegeven, mochten we vast komen te zitten dus we vertrouwen hem en gaan het toch gewoon proberen.

Opik heeft ons uitgelegt dat de eerste nachtbussen vanaf zeven uur door Binjai rijden, maar als we nog geen vijf minuten door de stad lopen rond een uur of zes, komt er een nachtbus voorbij en springt er een man uit die keihard begint te roepen, Bandah Aceh, Bandah Aceh...... Eigenlijk hadden we nog avondeten willen eten, maar we zijn erg opgelucht dat Opik's route klopt en stappen onder luid applaus de bus op. We zijn de enige toeristen op de bus en kunnen voor een schijntje twee buskaartjes kopen. Het enige wat we niet weten is of de bus nog ergens stopt voor avondeten en de mensen rondom ons heen spreken niet genoeg Engels om ons te begrijpen.

Als er een man de bus in rent om snoep te verkopen kopen we gauw een rol Dodol (een soort toffee gemaakt van rijst en palmsuiker), dan hebben we in ieder geval wat te eten. Het is zo lekker dat Mer gauw naar voren loopt om nog meer te kopen voordat de verkoper de bus weer afspringt, iedereen moet hard lachen om ons, inclusief de chauffeur. Het wordt zeven, acht uur en we stoppen nergens, gelukkig hebben we achter in de bus wel een toilet gevonden voor de 13 uur durende rit. Om tien uur stoppen we ergens langs de kant van de weg en we worden door meerdere mensen erop geattendeerd dat we gaan eten. Een man maakt van de stop gebruik om bij ons te komen zitten voor een praatje, maar nog geen minuut later wordt hij door een woedende vrouw uit de bus gehaald. Ze vond het geloof ik iets minder geslaagd dat hij met ons aan het kletsen was.
De chauffeur van de bus spreekt ons in vloeiend Engels aan, hij wil ons helpen met het bestellen van eten en een praatje maken. In Indonesie hebben we eigenlijk nooit hulp nodig met eten - door Mer's moeders familie zijn we met alle gerechten bekend en spreken we ook genoeg Indonesisch om eten te bestellen, maar hij is zo aardig dat we hem maar zijn gang laten gaan. Hij komt elke paar minuten checken of we het lekker vinden en of we nog meer willen, zo'n service hebben we nog niet gehad op onze reis, laat staan van een buschauffeur.

Na het eten proberen we te slapen, de stoelen zijn niet echt comfortabel, maar we hebben wel elk een deken gekregen. We vallen af en aan in slaap en om half zeven 's ochtends komen we op het busstation van Bandah Aceh aan. We worden overspoeld door taxi- en becak chauffeurs, maar we zijn zo gebroken dat we eerst een kopje koffie gaan drinken. Er komen hier maar weinig toeristen want er staat zo'n twintig man toe te kijken hoe we op een terrasje gaan zitten en koffie bestellen.

Na een flinke onderhandeling neemt een becakchauffeur ons mee naar de stad om te pinnen, want het eiland waar we naar toe willen heeft een pinautomaat waar we met onze Europese pinpassen waarschijnlijk niet kunnen pinnen. Onze becakchauffeur is een portret, hij spreekt geen woord Engels, dus een zakenman op het terrasje heeft de geldonderhandelingen met ons voor hem vertaald. Hij is op leeftijd, komt tot ongeveer ons middel met zijn 1.40m, heeft een leren jack aan en een belachelijk grote helm op zijn hoofd. Het moet er niet uitzien, hij op zijn motor, en twee van die grote witte toeristen in zijn zijspan.

Als we bij de zoveelste bank stoppen om te proberen te pinnen (de meeste banken accepteren alleen Indonesische pinpassen) begint hij in het Indonesisch tegen Mer te kletsen. Zodra Mer in haar vloeiende Indonesisch antwoord dat we uit Belanda komen begint hij hard te juichen, en krijgt ze een stortvloed aan Indonesisch over haar heen. Hij is ons Nederlanders erg dankbaar, bijna heel Bandah Aceh is na de tsunami herbouwd met Nederlands geld, of tenminste dat denken we dat hij zegt.
Hij rijdt ons langs het tsunami museum, ook gebouwd met Nederlands geld, en door naar de haven. Het is een onwerkelijke stad, ongeveer 95% van de gebouwen en huizen zijn nieuw, overal ademt de stad de verschrikkingen van de tsunami uit. De gebouwen die er nog wel staan, zijn vervallen, de ramen kapot en de ravage van de tsunami is nog duidelijk te zien. Als je niet van de tsunami zou weten zou je zeggen dat het een welvarende stad is, maar de gruwelijk waarheid kennende lopen de rillingen over je rug. De oude haven is er niet meer, en er is een nieuwe haven gebouwd in een dorpje vlak bij, Uleh Leh. Ook hier is niks over van de oude bebouwing, het is helemaal kaal en er wordt hard gewerkt om nieuwe palmboompjes zo snel mogelijk groot te krijgen om de kale vlakte wat invulling te geven. Als uitkijken over de spiegelgladde zee is het niet voor te stellen wat er zich hier twee jaar eerder heeft afgespeeld.

We zijn rond een uur of zeven bij de haven en de boot gaat pas om half tien, dus we gaan eerst ontbijten, Mie goreng met mierzoete koffie. Tegen de tijd dat we klaar zijn met ontbijt is het loket voor de kaartjes open, en kopen twee kaartjes voor de snelle boot die ons in een uur naar Pulau Weh zal gaan brengen.
Terwijl we wachten zien een grote groep Indonesiers ademloos naar twee toeristen kijken, ze zijn midden in de haven yoga aan het doen op sarongs die ze op de grond hebben gelegt. Iedereen zit ons vragend aan te kijken en sommige mensen spreken ons er zelfs op aan. We schamen ons de oren uit de kop en lachen mee met de Indonesiers totdat een security vrouw de twee mannen vraagt zo snel mogelijk op te staan en normaal te doen.
We voelen de bui al hangen, en ja hoor, als we in Pulau Weh in onze taxirit naar ons guesthouse stappen zegt hij dat er nog twee mannen meegaan. De twee rare yogasnuiters, maar ze willen eerst nog ontbijten. We balen als een stekker, we zijn al twintig uur aan het reizen en die mannen hadden alle tijd om in Bandah Aceh te ontbijten, in plaats van een rare show te geven. Nu dat we nog maar een uurtje van ons guesthouse verwijderd zijn lopen we vertraging op. Er zit niks anders op dan te wachten, want alle andere taxi's zijn inmiddels weg.

Al wachtend bij de auto worden we aangesproken door een oude man, als hij hoort dat we uit Belanda komen begint hij allerlei Nederlandse voetballers op te noemen en wil hij dat we mee komen naar zijn huis. We weten niet waar dat is dus blijven we staan, hij komt enkele minuten later terug gewikkeld in een Nederlandse vlag (met het Palm logo erop) en het Wilhelmus luid zingend. We zijn doodmoe, maar krijgen de slappe lach, hij heeft ook nog een pen met het uitzendschema op TV, prullaria van de laatste kampioenschappen - schatten in zijn ogen. Ook de taxi chauffeur komt erbij staan om over voetbal te praten, het is niet Michiel's land qua praatjes, overal wil iedereen met hem praten over de laatste kampioenschappen en de aankomende. Gelukkig babbelt Mer nog een woordje voetbal om een beetje te compenseren.

En dan gaan we eindelijk weg, het is een uur rijden over slingerweggetjes met vergezichten over een azuurblauwe zee, wow, dit voelt als een paradijs. Eenmaal aangekomen bij het strand met accomodaties halen we de naam tevoorschijn van de vriend van Opik die hier een guesthouse runt genaamd Yuulia's. Het is het laatste guesthouse, ongeveer anderhalve kilometer lopen over een paar rotsen langs de zee. Als we aankomen is een ander stel ons net voor en zitten ze vol. Als we zeggen dat we door Opik gestuurd zijn worden we door iedereen hartelijk gegroet, beginnen ze allemaal keihard te lachen en komt er meteen een gitaar te voorschijn om ons welkom te heten. Het liedje heet toepasselijk 'welcome in my paradise', we voelen ons helemaal thuis.
We drinken een blikje leeg maar de kamer die misschien leeg zou komen blijkt pas een dag later leeg te zijn. Balen, de jongens blijven hun excuses maar aanbieden, we geven ze ons Indonesische telefoonnummer en spreken af dat ze meteen bellen als er de volgende dag een kamer vrij komt. We gaan naar de buren, maar die vragen 20 euro voor een simpel houten hutje zonder douche en toilet. Alles is hier zo simpel, maar daarom ook maar 3,5 tot 4 euro per nacht. Die 20 euro is bespottelijk.

We lopen weer door naar het volgende guesthouse, daar hebben ze wel een kamer. Maar als we eenmaal goed en wel gesettled zijn blijkt het niet zo'n goede keus. Het bed is een matras op de grond, de muren zijn gemaakt van tientallen soorten schroothout en de veranda voor het huisje is ook gemaakt van resten hout die doorzakken als je er op loopt. Het hutje staat zo'n drie meter boven de grond dus op zijn minst gezegd eng als je erop loopt. Maar dan komt het ergste, de wc achter het huisje heeft geen deur en is een stinkend gat in de grond, en er vliegen tientallen muggen. De douche is een mandi (Indonesisch voor een grote bak met water waar je met een plastic pannetje water mee over jezelf schept). Ook hier zit geen deur in, het stinkt er en de buren kunnen zo naar binnen kijken.

We vluchten het hutje uit en gaan gauw kijken of we nog mee kunnen met de middagduik, de school is helemaal leeg behalve zo te zien de eigenaar. We vullen de standaard disclaimers in, laten onze diploma's zien en passen pakken, flippers, gewichten en vesten. Jippie, een uur later moeten we terug zijn en mogen we mee.

De eigenaren van het guesthouse zijn de hele dag niet te vinden, als we 's avonds honger hebben gaan we naar het donkere restaurant, daar zitten een man en vrouw. We mogen vertellen wat we willen eten en ze serveren zelfs bier (bier is illegaal in de provincie Aceh omdat hier de Islamistische wetten gelden). Langzaam druppelen er van overal mensen het restaurant binnen. We raken aan de praat met een Amerikaanse jongen die boswachter is een staatspark, hij heeft een hele andere kijk op het leven en Amerika dan de gemiddelde Amerikaan en raken al gauw diep in discussie met hem. We ontmoeten ook nog een Zwitser met een Thaise vrouw die de al twintig jaar duiken en de hele wereld gezien heeft. Hij heeft een eigen binnenhuis architecteur bedrijf in Zwitserland en Italie en kan zo elk jaar een aantal maanden de wereld rondreizen. We wisselen tips uit over waar we gedoken hebben en de afgelopen tijd gereist hebben. Het is een ontzettend gezellige avond.

De volgende ochtend na onze eerste duik vinden we een berichtje op onze telefoon dat we kamer hebben bij Yuulia's, jippie, we pakken gauw onze spullen in en verhuizen naar een simpel maar mooi hutje op houten palen met buiten een grote veranda met hangmat. Het huisje staat direct aan de zee, wow. De douche en toilet zijn hetzelfde, maar dan netjes en schoon, we betalen hetzelfde voor de kamer maar krijgen 10 keer meer.

Die middag en de dagen erna duiken we ieder negen keer, hier zijn de highlights:

  • We zien drie cuttlefish (een inktvis die achteruit zwemt en over de bodem lijkt te zweven), je komt ze als duiker niet vaak tegen en ze zijn ontzettend leuk omdat ze hun kleur kunnen aanpassen aan hun omgeving.
  • We zien op een andere duik zes bumphead parrotfish (een reuzesoort papegaaivis van ongeveer anderhalve meter in lengte en een driekwart meter hoog met een grote bubbel op hun hoofd), ook vrij zeldzaam en zeker in zo'n grote groep. We zijn ze op andere duiken twee keer eerder tegen gekomen maar dan maar 1 of 2 tegelijk. Deze vissen, bijna te groot om vis te heten, zijn gigantisch, maar ondanks hun omvang glijden ze elegant door het water. Ze zwommen een rondje rond ons en kwamen op een gegeven moment een voor een langs ons zwemmen, wow!
  • Tijdens een duik waren we op een meter of 20 en Marilyn zag in de diepte iets bewegen. Het duurde erg lang om te kunnen zien wat het was dus iedereen zwom door. Maar Marilyn bleef geduldig wachten, en dat was het waard, wat ze zag waren de witte flippers van een flinke schildpad, deze zwom langzaam omhoog en zo langs Mer en de ander duikers, wow, wow, wow.
  • Alle vis op de duiksites was zo groot en in zulke grote getallen, maar het indrukwekkendste aan grote waren toch wel de moray's (een reuze aal). In andere landen waren die een meter of 1,5, met een diameter van 5 cm en op een duik zie je er regelmatig wel drie of vier. Maar op Pulau Weh hebben ze een doorsnee van 40 cm en een lengte van 2,5 meter en op sommige duiken zagen we er wel 10 stuks per vierkante meter.
  • Aan het begin van een duik zwom Mer om een tafelkoraal heen om eronder te kijken, toen ze de onderkant van het koraal ineens zag veranderen in de kleur van de mouw van haar felgele duikpak. Er zat een inktvis onder de zich aan paste aan zijn omgeving om niet op te vallen, zo grappig.
  • Op onze mooiste duik zagen we twee scholen barracuda's, gewone en geel gestreepte. Barracuda's hebben altijd een hele gemene blik in hun ogen en staan er om bekend af en toe duikers aan te vallen als ze een reflextie van licht in een duikbril zien of in juwelen. Prachtig maar dus een beetje uitkijken.
  • Vervolgens zagen we een gigantisch schaduw in het water van een meter of twintig bij twintig, het zicht was erg slecht door het plankton in het water. Dus zagen we pas toen we op een paar meter afstand waren dat het een school van duizend jacks waren (zilverkleurige vissen van een cm of 35). Ze zwemmen in trechtervorm en om mensen heen, ademloos toekijken dus.
  • En de kers op de taart was een Leopard haai die lag te slapen op de zeebodem. Deze hadden we in al onze duiken nog maar 1 keer eerder gezien, ver in de verte, nu konden we een paar meter boven de haai hangen en rustig de tijd nemen om hem / haar te bekijken. We waren met meerdere groepjes duikers, maar alleen ons groepje heeft hem gezien en we waren (inclusief onze Indonesische duikgids) dagen erna nog helemaal onder de indruk. Het is redelijk uitzonderlijk een Leopard haai te zien, en helemaal slapend zodat je hem minuten lang kan bekijken.

En net als bij bijna alle duikscholen hebben we weer een hoop leuke mensen ontmoet. Onze Indonesische duikgids was niet alleen geduldig, goed, grappig, maar liet ons ook vaak langer duiken omdat ons niveau hoger was dan andere mensen in de groep. En hij was elke duik net zo enthousiast over wat we gezien hadden als wij, terwijl hij al zeven jaar op dezelfde plekken dook. We hebben hebben aan het eind van de week zo hartelijk bedankt dat hij er helemaal van ging blozen.
En van de klanten springt een Brits stel er boven uit, niet te geloven, maar na veel kletsen kwamen we erachter dat de vrouw de nicht is van een Brits stel die een guesthouse runnen in de Fillipijnen. Een en hetzelfde guesthouse waar we vorig jaar een week zijn verbleven en hebben gedoken. We konden het alle vier niet geloven, wat een toeval.

Het personeel bij Yuulia's is 1 brok gezelligheid, elke avond komt er een gitaar te voorschijn en wordt er gespeeld en (een beetje vals) gezongen. Het eten is verrukkelijk en we hebben veel lol kletsend met Pino en zijn personeel en met potjes kaarten spelen. We ontmoeten halverwege de week een Ier, Doghan McShane, ierser kan niet. Hij woonde in Australie en reist nu al een paar maanden rond Europa en Azie. Hij is alles wat je van een Ier verwacht, gezellig, eindeloze grapjes, en heel veel sterke verhalen. We kletsen uren met hem bij het ontbijt, lunch en diner en overtuigen hem weer eens te gaan duiken. Hij heeft het al jaren niet meer gedaan, maar raakt enthousiast door onze verhalen, en vind het gelukkig geweldig.

Jammer dat we al een uitgaand ticket hebben moet kopen om met Air Asia te mogen vliegen anders hadden we misschien nog wat langer gebleven. De laatste middag besluiten we de duik over te slaan omdat we 18 uur uur tussen de laatste duik en onze vlucht moeten hebben om geen gezondheidsproblemen te krijgen. We gaan snorkelen op het rif voor ons guesthouse, het is prachtig, het koraal is waanzinnig mooi en we zien allerlei soorten vis. Na het snorkelen pakken we onze backpacks in en hangen in de hangmat en kijken terug op de afgelopen drie weken in Sumatra. We zijn alleen maar postief, de mensen hebben speciaal plekje in ons hart veroverd, want we hebben ons overal zo ontzettend welkom gevoeld. De natuur heeft ons overweldigd, we wisten niet dat er nog zoveel natuur was, maar de palmolie plantages hebben ons ook flink aan het schrikken gemaakt.

Aan de ene kant hoop je dat er niet veel meer toeristen Sumatra ontdekken en het zo puur blijft als het nu is, maar aan de andere kant zou je willen dat iedereen Sumatra bezoekt en zo hard geconfronteerd wordt met de waarheid: je zeepje thuis kost een half oerwoud. 

Amazing Sumatra: Bukit Lawang

We staan 's-ochtends om 6 uur op om de eerste veerboot naar Parapat te kunnen nemen. We willen vandaag in een keer naar Bukit Lawang reizen, als het goed is een reis van ongeveer 10 uur.
Eenmaal aangekomen op het vaste land nemen we een minibusje naar het busstation. Daar aangekomen hebben we net de bus van acht uur gemist en moeten we tot negen uur wachten. Er is helemaal niks en niemand op het busstation dus we lopen een beetje rond en drinken een kopje koffie bij een stalletje. De bus is nog erger vervallen dan de bus van de heenweg, de zitting is keihard en de voorruit van de chauffeur zou een ideaal marketingverhaal voor carglass zijn, het is niet te geloven dat die nog vast blijft zitten.

Na drie van de vijf uur in de bus komt er een man naast ons zitten die politiek wil bespreken. We zijn door de hitte niet echt in voor een uitgebreid praatje. Maar daar heeft hij weinig bericht aan, hij blijft in het gangpad zitten en vragen stellen. Uiteindelijk is het erg gezellig, de man is een christelijke leraar wiskunde op een basisschool en heeft een duidelijke mening over de Indonesische politiek, heeft een hekel aan moslims en de Nederlandse bezetting begin van de eeuw. Volgens hem zijn wij de reden dat er zoveel corruptie in zijn land heerst en niet alle kinderen een kans hebben op educatie. Hij vind dat de Nederlandse regering allang had moeten ingrijpen en de huidige regering zou moeten dwingen af te treden. We proberen hem uit te leggen dat Nederland te klein is om een land zo groot als Indonesie te steunen in wat hij wil, maar ja, daar heeft hij lak aan, want we waren een eeuw geleden ook groot genoeg om Indonesie te kolonialiseren. Het is een leuke discussie, maar hij klinkt wel erg verbitterd en legt bij een hoop sociale problemen de schuld bij de Nederlanders. Of dat helemaal terecht is twijfelen wij een beetje aan.

Eenmaal aangekomen op het busstation van Medan worden we meteen aangesproken voor ritten direct naar Bukit Lawang, we wimpelen iedereen af en gaan eerst rijst met kip eten bij een eetstalletje op het station. Iedereen komt om ons heen zitten en we besluiten na de lunch in te gaan op een voorstel om ons direct te brengen. Natuurlijk klopt er niks van het verhaal, drie lokale minibusjes en twee becak ritjes verder (in plaats van de beloofde rechtstreeke rit) zijn we pas in Bukit Lawang. We hebben onderweg ook nog (ongewenst) een gids opgepikt, maar we zijn zo moe dat we hier niet op ingaan. De laatste minibus-rit is twee uur lang en gaat het laatste uur door kilometers en kilometers palmolieplantages. We zijn alle twee doodstil, hoe confronterend dat de honderden kilometers rond een van de mooiste nationale parken ter wereld de hebberigheid en beschaving van de mens zo aanwezig is. Je wordt er zo hard mee geconfronteerd, bleh mijn maag draait zich om.

Bukit Lawang is een piepklein dorpje aan de rand van het Gungung Leuser National Park, bekend om het grote en succesvolle urang-utan rehabillitation center. Aan de rand van de rivier, een paar minuten lopen van het parkkantoor zijn een aantal guesthouses, winkeltjes en eenvoudige restaurantjes.


We lopen een kilometer in de snikhitte met onze backpacks op langs de rivier naar een van de laatste guesthouses waar we enorm warm en hartelijk ontvangen worden. We kiezen een kamer dat meer een huis is, op de benedenverdieping een grote kamer met een aanrecht en een badkamertje en boven een simpel bamboe-bed en een veranda met een hangmat. Het dichtstbijzijnde volgende huisje is ver gelegen in een prachtig aangelegde tuin waar het krioelt van het leven.


Het huisje ligt aan de rivier, en we gaan meteen zwemmen om af te koelen, echt fris water uit de jungle, 27 graden Celcius. Een heel verschil met de 34 graden van de buitenlucht. Bij het water zien we duizendpoten, tientallen soorten vlinders en allerlei maten kikkers. Aan de andere kant van de rivier is de jungle, met bomen die honderd meter de lucht in steken. De jongens van het guesthouse hebben ons gewaarschuwt onze ogen goed open te houden want heel af en toe wil er aan het eind van de middag nog wel eens een orang oetan aan de rand van de rivier water komen drinken. Wat een verschil met de deprimerende palmolieplantages, we zijn helemaal overrompeld door de natuur, en blijven maar tegen elkaar roepen, moet je die vlinder zien, moet je dat beest zien, wow.

We kunnen niet wachten om te gaan trekken, maar hebben besloten eerst een rustdag te nemen en te genieten van de natuur. We gaan een koud biertje en een heerlijke Indonesische maaltijd eten bij het bijbehorende cafe van het guesthouse en genieten van de gezelligheid van het personeel van het cafe. Ze spelen allemaal gitaar en zingen luidkeels mee. Er zijn nog twee andere gasten en het is ontzettend gezellig, als we na het eten nog een spelletje kaarten komt de gids die ons naar Bukit Lawang gebracht heeft vragen of hij mee mag spelen. We leggen hem de regels uit en spelen de rest van de avond, hij heeft ontzettend geluk en wint bijna alle potjes, en Michiel verliest alles. De gids heet Amir en hij is erg relaxt en aardig, hij dwingt helemaal niet aan op de treks, waardoor we besluiten met hem te trekken. Er hebben zich op verschillende plaatsen al gidsen aangeboden voor trekst, maar op zo'n vervelende, dwingende manier, en met zeer varierende reviews. Bij Amir hebben we een erg goed gevoel en spreken met hem af overmorgen een dag te gaan trekken.

We worden de volgende ochtend vol spanning wakker, 's ochtends zitten er vaak gibbons in de jungle tegenover ons huisje en we gaan meteen naar ze zoeken. Helaas geen geluk, maar later op de ochtend als we gaan zwemmen horen we ze hoog in de bomen. Amir komt naar ons guesthouse om de laatste details door te spreken en verteld ons dat het witte gibbons zijn, die hebben een wit gezicht en witte handen. Ze zitten alleen zo hoog in de bomen dat we ze niet zien (elfs niet met onze verrekijker) maar wel een half uur lang horen schreeuwen. Wat een ervaring, we worden nog meer opgewonden over de trek die ons de volgende dag te wachten staat.
's-Middags lopen we door het dorpje naar het busstation waar de grote vrijdagmarkt is, het lijkt alsof er nog nooit een westerling geweest is want iedereen zit ons wezenloos aan te kijken. Helaas is het heel erg primitief en wordt er vooral tweedehands kleding en groente verkocht en lukt het ons alleen wat wasmiddel te kopen. Daarna gaan we lunchen bij een ecologisch guesthouse dat alle ingredienten voor hun eten zelf verbouwd aan de rand van de jungle. Erg duur, maar heerlijk Indonesisch eten.

Na onze lunch lopen we naar een vleermuisgrot zo'n 2 kilometer voorbij het ecologische guesthouse. Via rubberbomen, een kindertehuis met enorme klompen en jungle bereiken we uiteindelijk de grot. Er wordt entree gevraagd maar er is niemand behalve een mompelende boer die we halverwege tegenkwamen. Zorgen voor later.

Het laatste stukje is lastig en gaat via krakkemikkige trappetjes en zandzakken over rotsen naar boven. De grot zelf is volkomen donker en met onze hoofdlichtjes zoeken we de weg. De grot herbergt niet minder dan 5 vleermuizen, dus we hebben het snel gezien (en geroken).
Op de terugweg staat de boer nog steeds bij de entree. We geven hem het entreegeld en hij kijkt ernaar alsof het het vreemdste geld is dat hij ooit gezien heeft (ca. E 1.80). Hij is zo verbaasd dat Michiel het maar weer terugneemt want er komt ook geen wisselgeld. Na wat geroep van de boer gaan we toch maar terug - betalen is geen probleem, maar neem het geld dan wel aan.

Terug bij ons eigen guesthouse is het weer tijd voor de rivier. Als je een honderd meter stroomopwaarts loopt kan je je af laten drijven door e sterke stroming, wat koel en ontspannend is. Het avondeten smaakt wederom heerlijk en we zetten de wekker vrij vroeg om op tijd klaar te staan - morgen aapjes kijken!
Die nacht is er een enorme hoosbui die de hele nacht aanhoudt. We vragen ons af of en hoe de trek nog doorgaat, maar hebben goede hoop dat we anders een dag later gaan.

We worden een kwartier voor de wekker wakker door het gegil van een groep gibbons aan de andere kant van de rivier. We gaan gauw naar buiten met onze verrekijker, de bediening en eigenaar van het guesthouse staan ook aan de rand van de rivier, maar wij zien helaas geen gibbons. We pakken een rugzakje in, eten een stevig ontbijt (2 pannekoeken) en kletsen met de tuinman. Hij is gids geweest bij het orang oetan opvangcentrum en het park en heeft tientallen verhalen. We pikken nog 2 andere trekkers op (een Canadeze en Amerikaanse student uit Singapore) en klimmen langzaam maar zeker omhoog. Iedereen noemt deze 1-daagse tocht de Chickentrek maar dat deert ons niet. Er zijn veel verhalen over mensen die alles in de eerste 2-3 uur zien, en overnachten zien we niet echt zitten.

Onze gids legt wat uit over de onderweg geplante rubberbomen en andere vegetatie. En in de eerste tien minuten spot Mer meteen een gibbon. Het is soms wat glibberig door de regen, maar het is goed te doen. De gidsen roepen verschillende apen met verschillende geluiden. Na een drie kwartier zweten door de jungle zien we haar dan - een jonge volwassen orang oetan hangt ontspannen tussen 2 boompjes op 5 meter hoogte. Onze missie is nu al geslaagd! Het gevoel is achteraf alleen te vergelijken met wat we ervaren als duiken. Zo'n overweldigende en diepe respect voor de natuur, en beetje vlinders in je buik. We schieten ons wezenloos aan foto's maar dat valt nog niet mee onder de relatief donkere omstandigheden en de afstand.
De aap gaat uiteindelijk met vrijwel geen inspanning van boom tot tak dieper de jungle in en we laten haar gaan. Wat een geweldige ervaring, niet te vergelijken met een aap in de dierentuin. Zo snel, sterk en soepel - zo in haar element. Helaas wel half-wild, maar dat moete we voor lief nemen.

Blij als een kind lopen we verder door de jungle. Het is nu al feest, maar we zien nog meer - verderop vinden onze gidsen een nest van een moeder, vader en een baby. Vader en moeder zijn bezig om voor nog meer kleintjes te zorgen en maken en veroorzaken dus gezellige geluiden. De afstand is deze keer nog wat groter, maar met verrekijkers en de zoomlens kunnen we het nog best goed zien. Vader aap komt later (na de daad) ook even aapjes (mensen) kijken en vliegt van tak tot tak naar ons toe. De gids was even verderop en is zich niet bewust dat vader inmiddels verplaatst is. Hij pakt wat bananen voor ons als snack en vader aap heeft het snel in de smiezen. De gids doet de bananen meteen weer in de rugzak maar de aap vliegt om ons heen en eindigt een 3 meter van ons vandaan. Wat een beest!

De gids vraagt ons of we nog meer orang-oetans willen zien; wat een vraag. We lopen een paar honderd meter terug en zien daar een moeder met haar baby die aan het oefenen is met slingeren in de boom. Een heel schattig gezicht, maar ook wel eng of de baby wel genoeg ervaring en kracht heeft om te blijven hangen.

We zijn nu 2 uur onderweg en hebben niet minder dan 6 orang-oetans gezien. Ze lijken in ieder geval geheel vrij en vinden ons net zo spannend als wij hun. De snelheid waarmee ze door de jungle vliegen kunnen wij nooit halen en dat lijken zij zelf ook te weten. Als ze ons zat zijn zijn ze snel genoeg weer weg.

Na een korte stop verderop met bananen, passievruchten (de Canadees komt erachter dat je die niet als een sinaasappel opent, anders ontploft hij over je shirt heen) en mandarijnen gaan we verder. Onze dag kan echt niet meer stuk.

Pakweg een uur later ziet de gids wederom iets bewegen - het zijn Tomas Leaf apen, bladetende apen in zwart/wit kostuum. We kijken toe als ze 200 meter verderop wat in de bomen hangen, en dan komen ze op ons af als de Canadees zijn rugtas opent. Hij sluit hem snel maar de apen zijn onderweg en komen rechtstreeks op ons af. Veel gekraak van takken en met een enorme snelheid stoppen ze op een paar meter afstand. De fotocameras doen hun werk, maar de apen vinden ons erg leuk - de 2 apen komen tussen en naast ons in zitten!

Deze apen zijn volkomen wild maar blijkbaar erg geinteresseerd in mensen. Ze zitten ontspannen naar ons te kijken terwijl hetzelfde doen. We houden dit een kwartiertje vol en lopen dan rustig weg. De apen gaan ook weer hun gang.

Verder onderweg komen we nog meer apen tegen - de zeer zeldzame zwarte- en iets gewonere withandige gibbons. Ze zijn onmogelijk te fotograveren op deze afstand maar des te leuker om te spotten. Ook een kameleon, twee enorme gecko's zijn van de partij en de sporen van een wild zwijn.

We hebben eerdere pogingen om wilde dieren te zien (voshaaien en walvishaaien) pech gehad en hebben daarom niet gekozen om met opgeblazen binnenbanden van trucks de rivier af te varen maar om terug te lopen, hopende een grotere kans te hebben op dieren. De studenten hebben dat wel gekozen en na de lunch (nasi goreng uiteraard) nemen we afscheid van elkaar.

Op de terugweg zien we nog een bijennest en wat gibbons, maar we hebben al meer gezien dan we ooit gedacht hadden.

Later in het dorpp worden we nog geinterviewd door een 5-tal indonesische (middelbare school) studenten. Wat we van Sumatra vinden, het Indonesische educatie systeem en het toerisme in Bukit Lawang. Alles wordt op de video opgenomen en beindigd met een fotosessie, natuurlijk willen wij ook een foto~! Moe, bezweet maar voldaan springen we wederom de rivier in bij het guesthouse en bladeren door de foto's heen.

De 2 dagen erna staan in het teken van niksdoen. Lekker eten, lezen, zwemmen en uren kletsen met de Indonesische jongens in het guesthouse. Uit Medan komen vele weekendbezoekers en de rivier en paadjes zijn ineens erg druk. Uiteraard is het leuk om foto's van ons te maken maar inmiddels hebben we dat wel een beetje gehad.

Onze laatste dag gaan we (ondanks dat we al zoveel orang oetans gezien hebben) naar het rescue center om de apen te bekijken tijdens voedertijd. We steken de rivier over met een kleine kano en zien meteen een moeder orang oetan met een kind in de bomen slingeren. We kopen een permit om het park te mogen betreden en worden met een paar andere toeristen meegenomen de jungle in. Daar is ergens een platform waar de orang oetans die niet genoeg voedsel voor zichzelf weten te vinden twee keer per dag eten kunnen krijgen.
We zitten met zes andere toeristen op een plank weg van het platform om de apen niet te storen, als er ineens een moeder met baby uit de jungle komt slingeren en op nog geen 50 cm langs ons over het junglepad loopt. Iedereen houd zijn/haar adem in, de moeder staart naar ons terwijl ze langsloopt en de verzorgers zijn doodzenuwachtig en proberen haar met geluiden weg te leiden van ons. Maar ze vind ons net zo interessant als wij haar en vervolgt gewoon haar weg.
Uiteindelijk komen er nog 4 andere orang oetans, waarvan nog twee met baby. Ze krijgen melk met bananen er doorheen en trossen bananen. Elke orang oetan ziet er weer anders uit en elk heeft zijn/haar eigen persoonlijkheid. Daar komt Mer op een niet zo'n leuke manier achter, als een van de meest ondeugende orang oetan mannetjes van ongeveer 10 meter hoogte een grote tak op een verzorger probeert te gooien die naast haar zit. Ze zien de tak gelukkig op tijd aankomen. Wat een beesten, het kan gewoon niet dat we deze fantastische dieren laten uitsterven, wij gaan er samen in ieder geval nog harder voor knokken dat dit niet gebeurd.


Het vertrek valt zwaar, de omgeving is zo onbeschrijvelijk mooi, we zijn zo'n levenservaring rijker en we hebben het zo gezellig gehad met de jongens van het guesthouse. Opik (de jongen waar we het meest contact mee hebben gehad) helpt ons met een sluiproute naar Bandah Aceh, wat twee uur van onze reis af haalt. En geeft ons een telefoonnummer van een vriend (Pino) die een guesthouse op onze volgende bestemming heeft: Pulau Weh, een eilandje voor de kust van Bandah Aceh om te gaan duiken.
Eigenlijk willen we nog blijven, maar we realiseren ons dat de dagen hier in weken veranderen en die zo in maanden...

Op naar een becak om ons naar het busstation te brengen.

zie hier nog meer foto's.

Een paar dagen volledig ontspannen aan het kratermeer Danau Toba

's-Ochtends vroeg nog even de laatste spullen in de backpacks inpakken en dan staat onze rit naar het vliegveld van Padang al klaar. Als we anderhalf van de twee uur hebben afgelegd krijgen we een smsje op ons Indonesische telefefoonnummer van de vliegtuigmaatschappij waarmee we van Padang naar de stad Medan vliegen. Alleen helaas in het Indonesisch, we vragen de mensen in de auto of ze voor ons kunnen vertalen.
Maar ze beginnen alleen maar heel hard te lachen. We hebben een slecht voorgevoel dat onze vlucht vertraagd is (waarom dat zo grappig is blijft ons een raadsel) en vlak voordat we het vliegveld binnenrijden komt de chauffeur op het Engelse woord voor vertraging. Shoot, de vlucht heeft vier uur vertraging.

Het vliegveld heeft geen enkele faciliteiten om zes uur (we waren netjes 2 uur van te voren aanwezig) door te brengen dus nemen we een bus naar het centrum van Padang. Eerst naar het postkantoor om postzegels te kopen voor Mer's verzameling, maar helaas heeft het postkantoor maar een soort postzegels, heel raar.
We gaan vervolgens op zoek naar een supermarkt voor wat basisbenodigdheden zoals douchegel enzo, maar het grootste marktcomplex is gesloten. De aardbeving van eind 2009 heeft grote scheuren in de muren veroorzaakt, en het dak is helemaal ingestort. Het is best shockerend om de gevolgen te zien van zo'n sterke aardbeving, er zijn straten waar geen huis ongedeerd is gebleven. In veel panden zitten gigantische scheuren en sommige gebouwen, zoals een aantal grote hotels en een moskee zijn, zo erg ingezakt dat ze helemaal leeg staan.

Er is niet veel te doen in Padang, en we worden op straat overal nagejoeld, we verstaan er natuurlijk weinig van maar het voelt niet zo vriendelijk als Bukittinggi. We besluiten dus maar terug te gaan naar het vliegveld en daar te wachten. Echt jammer van de vertraging want we zouden rond een uur of drie in Medan aankomen zodat we de stad nog een beetje konden bekijken. Nu komen we pas om zeven uur aan, dus snellen we ons naar een Indonesische familie die aan huis een paar kamers verhuurd. Er is een stroomstoring in de wijk dus gooien we onze backpacks in een pikdonkere kamer en zoeken een leuk restaurant uit. Op straat worden we overal aangesproken, begroet en ondervraagd, we worden zelfs aangehouden door een man die ons zijn kerk en de naam van zijn bisschop geeft voor een goede kerkdienst. Je blijft als Westerling toch een beetje argwanend, maar iedereen wil alleen maar een praatje maken, met ons op de foto, ons de hand schudden of ons de weg wijzen.

Ons oog valt op Tiptop, een oud-koloniaal restaurant waar 'niets veranderd is in de tijd, behalve de prijzen'. Helemaal waar, we zitten tussen allerlei grote Indonesische families en het menu is bijna helemaal Nederlands; ijstaart, huzarensalade, bitterballen etc., en er is een Indonesische band die zowel bekende Westerse liedjes als Indonesische speelt.
De sfeer is bijna onbeschrijvelijk. We bestellen uiteraard heerlijk Indonesisch eten, maar Michiel neemt wel bitterballen als toetje (staat bij de desserts). Het ziet eruit als bitterballen, en is vers gemaakt, maar smaakt heel anders. Onze vriendelijke ober komt achter ons aan rennen als we het restaurant verlaten, hij heeft nog een cadeautje, twee ansichtkaarten van het restaurant van lang, lang geleden. Een tiptop avond bij restaurant Tiptop.

Als we terug komen op de kamer doet de electriciteit het weer en zien we de kamer pas goed, het is een vervallen kamer met dunne kartonnen wandjes. Maar we zijn zo moe dat we geen puf hebben om nog te gaan verhuizen, we gaan maar gauw slapen en worden nog positief verrast door de eigenaresse die ons ineens een ventilator komt brengen. Heerlijk, want het is niet te doen in die kleine kamer zonder verkoeling te slapen. 's-Ochtends willen we een simpel Indonesisch ontbijt bestellen, maar de eigenaresse heeft geen rijst en geen eieren, huh, een Indonsesiche familie die geen rijst in huis heeft? Waarschijnlijk vind ze het gewoon te vroeg om te koken, dus gaan we maar op weg naar het busstation.

Aan het eind van de straat stappen we op een minibusje naar het station, we passen er met een beetje proppen net in. In het busje zit een hele aardige mevrouw die net als ons naar Danau Toba (Toba-meer) gaat en ze wijst ons bij het busstation precies welke bus we moeten hebben. Na wat handen- en voetenwerk komen we erachter dat de bus een half uur later vertrekt, bij een stalletje besteld Michiel kip met sambal en rijst, en Mer een kop koffie, het is nog iets te vroeg voor heet Indonesische eten.
Het is natuurlijk een feest in het eetstalletje, iedereen begroet ons, maakt een praatje, vaak in het Indonesisch en we krijgen zelfs een concert van een buschauffeur die een oude saxofoon bij zich heeft. Hij heeft waarschijnlijk nog nooit een muziekinstrument in zijn handen gehad, maar hoe harder wij lachen hoe harder iedereen in het eetstalletje, inclusief de chauffeur, meelacht.

De bus is in een redelijk vervallen staat, maar we zien er wel avontuur in en de busrit duurt maar vijf uur. Nog geen twee uur later piepen we wel anders. De bus heeft geen airconditioning, zit propvol en achter ons zit een jongetje van nog geen jaar oud die ons uitermate interessant vind. Vooral Marilyn is helemaal fantastisch, Ruben staat op zijn moeders schoot en wil met zijn vingertjes haar overal aanraken en prikken. Iedere keer als je net een beetje wegdoezeld begint Ruben met ons te spelen en in ons nek te prikken of aan ons haren te zitten.
We zitten op een bankje waar drie Indonesiers oppassen, wij dus net met zijn tweeen. Maar al gauw moeten we opschuiven en komt er naast Mer nog een jongetje van een jaar of zeven te zitten. Eerst vind hij Mer doodeng, maar al gauw heeft ze Ruben in haar nek hangen en het, eerder bange jongetje, is tegen haar in slaap gevallen. Moeke Marilyn, op het heetste punt van de dag met twee kids.
En oh ja, we hebben ook nog een ongeluk onderweg, de chauffeur moet in een dorpje plots op zijn remmen staan en dan knalt er een auto achter op de bus. Iedereen is in rep en roer en stapt uit om het te bekijken, gelukkig is de politite vlak bij en kunen we een half uur later weer wegrijden. De schade aan de bus is minimaal, maar de stemming zit er wel helemaal in in de bus. Iedereen heeft natuurlijk zijn of haar mening en het ongeluk wordt uitgebreid besproken. We komen een half uur te vroeg aan in het stadje, of eigenlijk meer een dorp, aan het meer van Toba aan. Hier vertrekken veerboten naar een schiereiland in het midden van het meer, dat gevormd is nadat een gigantische krater duizenden jaren geleden is ontploft, met een piepklein dorpje Tuktuk. We zijn inmiddels doodmoe en zijn blij dat de boot maar een kwartiertje later gaat, tot die tijd worden we gezelschap gehouden door mensen die ons een kamer in Tuktuk willen verkopen, taxi ritten naar elke bestemming in Indonesie en tours bij volgende bestemmingen. We hebben een nieuwe taktiek, we zeggen dat we te moe zijn en later beslissen, als ze even hun telefoonnummer opschrijven dan bellen we later terug. Het werkt.

Als we naar de boot lopen komt er een groep Indonesische middelbare scholieren aangerend, of ze met ons op de foto mogen. Ok 1 dan, dat wordt uiteindelijk twee fotosessies, alle jongens en meisje samen met Michiel op de foto en ied ereen individueel en allemaal met Marilyn samen en individueel. Zelfs de schipper van de veerboot vind het grappig, want hij wacht geduldig tot de fotosessie klaar is voordat we vertrekken.


Op de boot zien we voor het eerst sinds dagen weer toeristen, het zijn er maar drie maar het voelt raar om weer rond westerlingen te zijn. Het hotel dat we hebben uitgekozen heeft nog kamers en blijkt een 'home away from home' voor gepensioneerde Nederlanders. Bij het ontbijt zit je aan tafel met mensen zoals Truus en Beb die luidkeels naar Nederland bellen op hun mobiele telefoon: 'Oh ja, het is hier eeeeenig, en zo goedkoop...' De bediening spreekt zelfs redelijk Nederlands, een beetje eng om 's ochtends vroeg bijvoorbeeld aangesproken te worden met; goedemorgen, lekker geslapen?
De budget kamers liggen aan de achterkant van het hotel, maar wel met uitzicht op het meer vanaf ons balkon waar twee oude luie stoelen staan. De eerste avond komen we er snel achter dat onze kamer al bewoont is, tussen het schuine dak en de muren heeft een poes een nest kittens geworpen. We worden om de paar uur wakker als de kittens honger hebben, en om hun moeder miauwen. Na veel gemiauw, en gekras van nageltjes op het hout van de muur komt mama uiteindelijk toch elke keer weer voeden. We proberen op allerlei manieren een glimps op te vangen van de kittens, maar helaas. Mama poes heeft ze erg goed verstopt, zo goed zelfs dat ze de laatste nacht ineens aan de andere kant van de kamer liggen.

Hoewel we al 2 maanden vakantie hebben, zijn we toch toe aan wat verveling. We zijn ook al 2 maanden non-stop op reis/doorreis en dat is toch best vermoeiend, mentaal gezien. En dus maken we er hier wat luie niksdoen-dagen van.

De eerste dag doen we weinig, een beetje lezen op het balkon en zwemmen in het heerlijk koele (30 graden Celcius) meer. Er zwemmen honderden vissen aan de rand en aan de oppervlakte, dus onze snorkels en duikbrillen (het enige van onze duikuitrusting dat mee is) komen goed van pas.

De tweede dag rijden we op de motor rond het eiland en bezoeken we heetwater-bronnen. De bevolking in deze regio heet de Batak, zijn christelijk en wonen voor het overgrote gedeelte nog in de oude traditioneele Sumatraanse huizen met puntdaken. En enkelen zelfs nog in huizen die helemaal van hout zijn. De Batak begraven hun doden in graven die er uit zien als miniversies van hun huizen. Echt prachtig, waar we kunnen nemen we foto's.

De dag erna nog een luierdag. We hebben inmiddels uitgevonden dat aan de andere kant van het hotel een soort strand is aangelegd met een duikplank, een stuk makkelijker om het meer in en uit te komen. En we proberen wat dingen te regelen voor onze duikbestemmingen in Indonesie en Borneo.
Het eiland is vrij duur door de Nederlandse toeristen, en het kriebelt om naar Bukit Lawang te gaan. Dit is een dorpje aan de rand van een groot nationaal park waar een heropvoedcentrum voor orang oetans is. Het schijnt er prachtig te zijn, en een bezoek hieraan staat al jaren hoog op Marilyn's verlanglijst.

De backpacks dus weer inpakken voor een lange (12 uur) durende reis naar West Sumatra.

Er zijn meer foto's.

Groen, warm en vriendelijk Sumatra

De wekker gaat om vier uur 's nachts, de eerst lokale bus naar het vliegveld van Jakarta gaat om vijf uur en die willen we niet missen want een taxi naar het vliegveld kost ongeveer 11 euro, voor ons niet te betalen. De vlucht vertrekt met een beetje vertraging, en we zijn de enige westerlingen op de vlucht. We worden overal gevraagd of we ons niet vergissen en niet naar Bali moeten, nee we willen echt naar Padang!

Het vliegveld van Padang is piepklein, maar heeft wel een informatiebalie, waar we vragen waar de bus naar de stad stopt. We moeten eerst een uur naar Padang zelf, vanwaaruit bussen naar Bukittinggi vertrekken. Een klein stadje midden in de jungle met veel dagtripjes in buurt. Dat is nog een keer 2,5 uur rijden. De busprijzen naar Padang vallen ons erg tegen (later blijkt dat we de prijs verkeerd hebben verstaan), en terwijl we staan te twijfelen komt er een man op ons af die ons een directe rit naar Bukittinggi aanbied, het is niet duur en scheelt ons zeeen van tijd, dus gaan we erop in. We worden met een luxe auto opgehaald, en even later overgeheveld naar een andere auto en rijden met vier andere Indonesiers mee naar Bukittinggi.


De rit is prachtig, we rijden door bergen overwoekerd door jungle, langs verfrissende beekjes en beeldschone watervallen. Het is een landschap om van te dromen. We draaien de getinte ramen af en toe naar beneden om te kunnen genieten van de intense groene kleur van de rijstvelden. Er is geen groen zo groen als dat van de Indonesische rijstvelden, bijna verblindend en zo prachtig.

Na een overheerlijke lunch van Sate Ayam, Krupuk, en Nasi Goreng met ei lopen we door het kleine stadje, er hangen zware wolken rond de stad maar het is gelukkig droog. We lopen via een oud Nederlands fort (waar alleen nog de kanonnen van over zijn), een deprimerende dierentuin (wat een ramp, Mer loopt met tranen in haar ogen naar buiten) naar een panorama dek dat uitzicht biedt over een Canyon net buiten de stad.


Het is sprookjesachtig mooi, een rivier heeft door erosie een flinke Canyon dwars door steen gesleten en je kan aan twee kanten ver de Canyon inkijken. Bij het panorama dek heeft iemand zijn eten laten liggen, en we we kijken geamuseeerd toe hoe zwerfhonden, zwerfkatten en apen om het eten vechten. Gek genoeg wint de kat elke keer.

Overal worden we door mensen aangesproken voor een praatje, iedereen wil weten waar we vandaag komen, ons welkom heten in Indonesie/Sumatra en weten of we het naar ons zin hebben en hoe het met ons gaat. Jong, oud, man, vrouw overal is het handjes schudden een kletspraatje en we hebben nu al twee keer gehad dat mensen met ons op de foto willen. We voelen ons net een kermisattractie, maar iedereen is zo ontzettend vriendelijk dat we er alleen maar om kunnen lachen.

We worden bij een uitkijktoren door een paar oudere rokende en koffie-drinkende mannen eerst uitgenodigd voor koffie (we hebben al zoveel praatjes gemaakt dat we daar niet opin gaan) en er dan op gewezen dat we ergens in de jungle een trap afkunnen. Halfverwege lijkt de trap op te houden, en terwjil we terug lopen komt er een man aan met een lange staart vol met krullen. Rani zegt dat we niet zijn dorpje aan het eind van de trap moeten overslaan en daarna naar de Canyon moeten doorlopen omdat het daar erg mooi is.
De trap is oud en er zijn hele stukken weg, maar we hobbelen achter hem aan. Eenmaal bij zijn dorp aangekomen slaan we ergens de gifgroene rijstvelden in. Rani werkte ooit in de toeristenindustrie (o.a. voor Djoser) toen er 15 jaar geleden op Sumatra veel toerisme was, maar de aanslag op Bali, de tsunami en de aardbeving in Padang vorig jaar hebben er voor gezorgd dat er geen brood meer mee valt te verdienen. Hij maakt is nu timmerman en schoonmaker in een ziekenhuis.

Na de rijstvelden lopen we de jungle in waar overal wilde gibbons zitten, we lopen langs het water, langs een loopbrug van hout en touwen dat ons doet denken aan een Indiana Jones film, richting de Canyon. Onderweg verteld Rani over allerlei planten en beesten, inmiddels is wel duidelijk geworden dat hij ons de hele weg gaat begeleiden. Maar dat vinden we helemaal niet erg, we hadden het nooit zelf gevonden en Rani weet ontzettend veel te vertellen over de omgeving.

Uiteindelijk duurt de trek drie uur en neemt hij ons mee door de Canyon, het is een surrieel landschap. Er is helemaal niemand, en de we lopen grote delen over het rivierbed, waar in de regentijd het water tot 1,5 meter zal stijgen. De wanden om ons heen zijn een meter of 60 hoog met tot aan de rand dikke jungle. We grappen dat het ons niet zou verbazen als er ineens een dinosaurus uit de vallei zou komen lopen.


Rani laat ons op blote voeten op meerdere plekken de river oversteken om ons in mimosa-bomen neushoornkevers te laat zien. We hebben geluk, het is het broedseizoen en de bomen zitten er vol mee. Via een kudde wilde buffels leidt hij ons verder de Canyon in naar een punt waar honderden grote bruine hondvleermuizen in de bomen zitten. We lopen langs watervallen, zien Macaque apen in de bomen, vlinders in alle kleuren van de regenboog en we lopen uiteindelijk via een dorpje weer terug naar het panorama punt.

We hebben nog nooit zo'n mooie trek gedaan. Wow onze eerste dag in Sumatra en we zijn opnieuw verliefd geworden op Indonesie. Het weer, de mensen, het eten, de natuur, het is zo fantastisch, we voelen ons weer helemaal thuis deze derde keer in Indonesie. Dit is alles wat we in Vietnam miste.

Afgepeigerd lopen we terug naar ons hotel. We zijn compleet bezweet van het laatste stukje steil de berg (60 meter bijna recht omhoog) op en gaan eerst douchen. Na 10 minuten komt het beloofde warme water en voelen onze spieren weer herstellen. Het avondeten (Sate Ayam, Gado Gado, Beef Rendang en 2 welverdiende biertjes) smaakt weer geweldig. Het is eenvoudig maar zoooo lekker. We kijken door onze foto's heen en verlaten met een volle buik het restaurant.

Bij het ontbijt krijgen we een hoop tours voorgesteld door Ronnie, de eigenaar van het hotel (meer een guesthouse want de badkamer en kamer zijn redelijk vies een erg eenvoudig), maar we willen eigenlijk zelf gaan rondkijken. Helaas heb je wel een rijbewijs nodig in Indonesie, dus we twijfelen even of we wel een motor gaan huren hier. Uiteindelijk kunnen we van het verschil tussen de huur en een tour makkelijk een boete betalen en gaan ervoor. Want Ronnie geeft ook aan dat het belangrijker is dat we goed kunnen rijden. We gaan naar Harau, een vlek op de kaart 55 kilometer verderop.

De rit verloopt zonder problemen, op een klein buitje na. Het verkeer is een oase van rust na Vietnam - mensen geven voorrang, rijden in hun baanvak, toeteren niet en gebruiken hun richtingaanwijzers. Wel is het links rijden wennen, maar na een uurtje rijdt Michiel niet meer op de verkeerde weghelft als we bij een kruising wegrijden.

Harau is een dorpje dat ligt in een vallei van kliffen van zo'n 100 meter hoog. Er kan geklommen worden maar die hobby staat nog niet op ons lijstje. We rijden, beter gezegd: sjokken door de valei en genieten van de rust, het uitzicht en de natuur. Als we even stilstaan zien we rijstvelden, het plattelandsleven, een waterval, we horen apen tekeergaan en zijn helemaal alleen. We realiseren ons dat we sowieso geen toerist hebben gezien sinds we Bukittinggi zijn uitgereden - en ook in Bukittinggi zelf zijn er erg weinig. Waarom er niemand is is ons een raadsel, want Bali en Java hebben met dezelfde problemen te maken gehad als Sumatra, en daar is het wel druk.

Aan het eind van de valei is er een andere waterval waar kinderen zwemmen. Ooit was het hier vol met toeristen, nu is er niemand. We lopen naar het vervallen uitkijkpunt (de trap wordt nog steeds onderhouden, maar voor wie?) en besluiten dat we toch geen puf hebben om te zwemmen met 25 kinderen om ons heen.

Aangezien we tijd zat hebben gaan we naar Belimbing, een dorp waar nog 300 jaar oude traditionele huizen met puntdaken staan. In een stadje waar we richting moeten vragen is er weer wat leven maar daarna is het weer rustig. Vreemd genoeg rijdt er iemand een dikke 10 minuten enkele meters achter ons. We rijden welliswaar precies de maximumsnelheid maar dit is wel erg apart, haast bumperkleven op de motor. Als we vaart minderen voor een scherpe bocht horen we 'Hey Mister!'. We snappen eerst niet wat de jongen zegt, maar dan laat hij zijn telefoon zien. Ja hoor, we mogen weer op de foto! Of we mee willen rijden naar waar de foto gemaakt gaat worden. Ach, we zijn met z'n tweeen en rijden achter hem aan. Na pakweg een kilometer stoppen we voor rijstvelden en begint de fotosessie. Eerst Michiel, daarna Marilyn. Hij spreekt geen Engels, maar we komen wel achter zijn naam Raymond. Hij is zo blij als een kind, en voor wat hoort wat, dus we vragen hoe we verder naar Belimbing moeten rijden.
Dat kan hij niet uitleggen, maar wel dat we hem moeten volgen. Hij rijdt voor ons uit en steekt na een 2 kilometer een nietszeggen straatje in - daar staat een vervallen poort voor Belimbing. Dat hadden we nooit in 1x gevonden. Hij rijdt ons door het dorpje naar 1 van de traditionele huizen en zegt gedag.

We denken de weg nu wel te weten en rijden langzaam door het dorpje achterom om daar een andere weg terug te nemen voor de variatie. Dat blijkt snel een zandweg en erger te worden dus keren we om. Als we stoppen voor nog meer foto's van een traditioneel huis komt er een man op ons af. Hij is benieuwd wat we in vredesnaam aan het doen zijn, en als Michiel naar een bomen met een ei-vormige peren staat te kijken komt hij meteen met de vruchten aanzetten. 'Manis', oftewel zoet. We proeven en het is best lekker; een kruizing tussen een peer en een aardappel. Na een demonstratie hoe deze uit de achter ons staande boom worden geplukt en gepraat met handen en voeten krijgen we extra vruchten in onze handen gedrukt en rijden we er vandoor.

Op de terugweg naar het hotel maken we een fout en rijden een lange weg via haarspeldbochten naar beneden. Daar aangekomen komen we in de avondspits en worden af en toe misselijk van de zwarte wolken die uit de zware vrachtwagens komt. Terug bij het hotel, vlak voor donker, gaan we eten waar we gister hebben gegeten. Michiel's masseur die vanochtend besteld is komt rond 8 uur dus we eten op tijd en Marilyn blijft in het restaurant achter om wat tickets etc. te zoeken en met Danielle te kletsen op 1 van de compuetrs daar. De masseur komt natuurlijk 3 kwartier te laat, maar hij doet het wel goed. Ontspannen gaan we slapen - morgen gaan we naar het meer Maninjau.

Het ontbijt van het hotel is eenvoudig - thee of koffie en een dubbele getoastide witte boterham met jam in een servet. Je moet nog snel zijn, want de servet plakt natuurlijk meteen aan de warme beboterde boterham. Vandaag willen we naar het meer Maninjau, maar het regent. Na een uurtje aanzien gaat het niet meer lukken vandaag en gaan we een dagje niksdoen. We regelen een hoop tickets naar Borneo en de Filippijnen, hangen wat en eten eens ergens anders voor de verandering. De eigenaar kent wat Nederlandse zinnetjes, en gooit die om de haverklap eruit. Maar 'helaas pindakaas' (wat ook op zijn t-shirt staat) is niet de juiste opmerking als je het eten serveert lijkt ons zo.

Na wederom hetzelfde ontbijt (de vraag is niet wat je voor ontbijt wil, maar of je koffie of thee wil) is het een mooie dag en huren we wederom de motor. De rit naar Maninjau is met 38 kilometer een stuk korter dan de vorige keer maar wel dwars door de bergen. 1 daarvan heeft een afdaling met 44 haarspeldbochten en dat zou nog wel eens wat tijd kunnen kosten. Daarvoor zijn er echter al zat haarspeldbochten en we gokken er ruim honderd te hebben gedaan als we terug zijn. Genoeg oefening in ieder geval, maar een half-automaat motor schakelt moeizaam als je geen gas op de motor houdt, wat je nou net niet wil als je een bocht naar boven gaat maken.

Het uitzicht op het meer wat eigenlijk een met water gevulde krater is, is prachtig bovenaan, waar een panorama punt is. Natuurlijk hebben we meteen weer allerlei fans, een een 17-jarige jongen blijft ons maar achtervolgen omdat hij zijn Engels wil oefenen. Na met wat mensen bij winkeltjes te hebben staan praten geeft Michiel toe en krijgt ook de jongen volledig zijn aandacht. Daarna beginnen we aan de afdaling.

We rijden de 60 kilometer rond het meer en vinden nergens een (rustig) plekje voor de geplande picknick. De oever van het meer is volgebouwd met simpele huisjes en visboederijen. Omdat de mensen hier streng Islamistisch zijn ga je niet zomaar bij iemand in de tuin zitten in je bikini/zwembroek. Het is bloedheet en we moeten na zo'n 20 kilometer stoppen in de schaduw omdat we zelfs met 60 km/uur ons kapot zweten en factor 50 zonnebrandcreme niet genoeg is om ons armen te beschermen tegen de zon.

Na ruim 40 kilometer vinden we nog geen plekje en vragen ons af of het gaat lukken. Een landslide door de laatste aardbeving biedt echter uitkomst. Een stroompje vanuit de jungle is veranderd in een soort strandje en we gaan in de schaduw zitten aan het meer. Hier krioelt het ook van het leven (libelles, vlinders, hagedissen, vogels, vissen, mieren, ...). Het is heerlijk stil, er is geen mens te bekennen en de picknick lukt toch nog.

We zwemmen nog even in het 32 graden warme meer (waterwaterbronnen in de krater warmen het water) waarna we de laatste kilometers afleggen. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan; aan deze kant van het meer kan je geen 500 meter rijden zonder dat de weg is opgebroken door aardverschuivingen. Er zijn tientallen huizen vernield en hele stukken jungle weggevaagd. Na vele onderbrekingen komen we bij ons beginpunt en rijden de 44 bochten weer terug naar boven.

Vandaag precies twaalf jaar geleden hebben we elkaar ontmoet, in Nederland staan we daar altijd bij stil door gezellig uit eten te gaan maar hier in Bukittinggi zijn vooral cafe's. Uiteindelijk gaan we eten bij het luxueuse restaurant dat we kunnen vinden, de Pizzahut. Lekker voor een keer! Als we het restaurant uitkomen regent het pijpestelen, ofwel een Indonesische moessonbui. Michiel koopt bij een winkeltje aan de overkant een paraplu en we lopen romantisch saampjes onder de paraplu terug naar ons hotel.

Er zijn nog meer foto's.

Eindstop Hanoi

Het is sinds we Nha Trang hebben verlaten steeds kouder en regenachtiger geworden. We leven continue in onze windjacks en in Ninh Binh was het 's nachts zo koud dat Mer in haar thermo ondergoed sliep. Helaas hebben we ook maar 1 setje warme kleren mee omdat het overal zomer zou zijn. We willen nog naar Hanoi, Halong Bay en Sapa, maar het slechte weer begint ons een beetje op te breken, we worden er alle twee niet vrolijker van.

We checken dus maar vlug de weer berichten voor onze laatste drie bestemmingen. In Sapa vriest het flink 's nachts en overdag is het slechts 0 graden Celcius, helaas maar dat valt dus af. Hanoi en Halong Bay voorspellen alleen maar regen en een graad of 17. We moeten toch naar Hanoi om het land te verlaten dus we besluiten onderweg te gaan.
Op weg naar het busstation zien we op straat een bus rijden met een bordje Hanoi erop, Michiel houd de bus aan. Dat scheelt weer lopen, de hele bus zit naar ons te staren en de buschauffeur kan zijn ogen niet van ons afhouden via zijn spiegels. Doodeng, want hij rijd als een maniak. Hij rijdt dwars over gigantische gaten in de weg en haalt iedereen in, of gaat gewoon op de vluchtstrook rijden waar stalletjes staan die bijna omver geduwd worden. We houden ons hart vast en proberen niet te veel vooruit te kijken naar al het verkeer dat we iedere keer op een haar na missen. De rit zou twee en een half uur duren, maar na een uur zijn we er al.

Als we het busstation binnen rijden springen er tientallen motor- en taxi-chauffeurs op de bus die ritjes zoeken, ze beginnen aan onze armen te trekken. We krijgen niet eens de kans om normaal de bus uit te stappen en worden omringt door een man of tien die ons allemaal mee willen nemen. We worden zo gek van alle mannen die aan ons trekken en duwen dat we gauw het busstation inlopen, maar zelfs daar volgen ze ons.
Ze noemen belachelijk hoge prijzen om ons een paar kilometer naar het centrum te brengen, en we zijn ze snel zat en gaan naar de ticketloketten om te kijken of we niet een lokale bus kunnen nemen naar het centrum. We vinden na wat zoeken een mevrouw die een paar woorden Engels spreekt en ons duidelijk maakt met gebarentaal dat we bus acht moeten hebben. We speuren het station af maar kunnen geen halte voor bus acht vinden. De motorchauffeurs blijven ons volgen en noemen steeds hogere prijzen en wijzen ons iedere keer naar een andere plek.
Gelukkig komt er een broodjesverkoopster die de motorchauffeur wegduwt en met een pen op haar hand een acht schrijft, daarna brengt ze ons naar de plek waar de bus stopt. Het is bij de uitgang van het station, er staat geen bord en het stinkt er verschrikkelijk naar urine. Maar dan zien we ineens bus acht komen, alleen rijdt die net zo hard langs ons heen. Misschien vol? Als de tweede komt staan er twee Vietnamezen met ons te wachten, maar ook nu rijd de bus door. Bij de derde komen we er pas achter dat dit geen officiele halte is, die is ongeveer 150 meter lopen buiten het busstation. Dus gaan we daarheen. Iedereen kijkt zijn ogen uit als we naar de halte lopen.

Jippie, de bus stopt, we gaan naar binnen en worden door een arrogante kaartjesverkoper naar stoelen geblaft, hij begint grapjes te maken in het Vietnamees en de hele bus begint om ons te lachen. Maar hij spreekt wel redelijk Engels en snapt waar we naartoe moeten. Voor een paar cent rijden we naar het centrum en waarschuwt hij ons netjes een halte van te voren om ons backpacks te pakken.
Het oude centrum van Hanoi is een wirwar van straten en we moeten goed zoeken naar de guesthouses, gelukkig heeft de eerste nog een kamer in een bijgebouwtje dat gedeeld wordt met een Vietnameze familie. Eerst een smalle gang door en dan vier trappen omhoog, daar is weer een smalle gang met twee kamers/slaapzalen voor backpackers zonder geld en een kamertjes aan het einde van de gang. We hebben een eigen douche, en delen de toilet met de slaapzaaltjes.

Gelukkig is het redelijk weer, bewolkt maar wel warm, en we besluiten ons visum te laten verlengen om naar Halong Bay te kunnen gaan na Hanoi. We leveren meteen ons paspoorten in voor de verlenging en gaan de stad verkennen.

Helaas iets te vroeg gejuigt want de volgende dag worden we wakker met een typisch Aziatische hoosbui die nog ruim twee dagen non-stop zal duren. De eerste dag zitten we vooral binnen in de kamer en gaan 's avonds naar de film.

De tweede dag gaan we toch maar op pad, met poncho's aan. We gaan naar het theater waar in het water shows worden gegeven met waterpoppen, de acteurs zijn verstopt achter een muurtje en staan in een grote bak met water tot hun middel. Ze hebben in elke hand een stok die onder de muur doorsteekt, aan het eind zit een waterpop (die varieren van kleine eendjes tot 15 kilo wegende boten met bewegende poppen erin) die ze kunnen laten bewegen door aan de stokken te trekken en te duwen. We hebben kaartjes voor de allerlaatste show, die avond en dagen erna is alles uitverkocht. Dat is geluk hebben, want het is erg indrukwekkend. Er worden allerlei scenes van het dagelijkse Vietnamese leven uitgebeeld onder begeleiding van een orkest geheel gekleed in traditionele kledij en met Vietnamese instrumenten.
Na de show proberen we nog wat te ondernemen, maar we zijn doorweekt en koud, dus gaan terug naar het guesthouse om warm te douchen en gauw tickets te boeken naar een andere bestemming want de vooruitzichten zijn dat het nog een week blijft regenen. Ook hebben we van mensen gehoord over hun bezoek aan Halong Bay in de regen, en dat was meer bikkelen dan genieten van de mooie baaien. De vliegticket-prijzen zijn gigantisch gestegen, maar we willen niet nog een week hier wachten op mooi weer, dus boeken we toch twee tickets naar Ho Chi Minh city, en een vervolgvlucht naar Jakarta.
We hadden eigenlijk gepland om via Kuala Lumpur naar Banda Aceh te vliegen in het noordelijkste puntje van Sumatra. Maar het bleek dat je daar geen visum bij aankomst kan krijgen, en de ambassade van Indonesie in Hanoi wil ons geen visum vooraf geven zonder toestemming van de lokale overheid in Banda Aceh. En hoe we die toestemming moeten krijgen willen ze ons niet toelichten. Dus vliegen we via Jakarta, waar we wel een visum bij aankomst kunnen kopen en dan door naar Sumatra.
We kunnen voor het laatste stukje alleen geen ticket kopen, maar gaan er vanuit dat dat op het vliegveld van Jakarta wel moet lukken.

Een ding staat er nog wel op ons lijstje in Hanoi en dat is het Mausoleum van Ho Chi Minh, dus de volgende dag gaaan we op pad, gewapend met poncho's en jassen. Gelukkig is de regen nu veranderd in miezeren en kunnen we overdekt wachten op onze beurt om het mausoleum te betreden. Overal staan wachters in strakke witte uniforms, met regenpakken erover heen iedereen in goede banen te lijden. Als we het mausoleum binnen lopen is het doodstil, we worden via een kille, kale gang een trap op en af geleid naar een donkere hoge graftombe. Daar staan allemaal wachters rond een grote glaze kubus waar Ho Chi Minh inlicht. De sfeer is ongelovelijk droevig en formeel, de verlichting is minimaal en je loopt in een lange rij rond de kist. Zoiets vergeet je niet gauw meer.


Als we buiten komen mogen we onze camera ophalen, die hebben we van te voren moeten inleveren en gaan we naar het presidentiele paleis, en het huis waar Ho Chi Minh in heeft gewoond (als het goed is) in Hanoi. Daarna bezoeken we nog twee musea en pakken daarna onze tassen in voor de lange reis die in het vooruitzicht ligt van de volgende dag.

Vietnam was voor ons geen vakantiebestemming, wel een mooie reis. Het eenzijdige eten (kip/varken/rund met rijst), het troosteloze uitmelken van interessante plekken, de vaak onvriendelijke/onverschillige mensen en het inmiddels slechte weer breekt ons na vier weken op en we kijken uit naar een volgende bestemming. We kijken terug op een land met een schat aan cultuur, maar ook een land dat zijn natuur bijna helemaal heeft uitgeroeit. We hebben bijna geen dieren gezien (laat staan in het wild), terwijl er vijftig jaar geleden toch o.a. tijgers en beren in overvloed leefden - maar ook de gewone aziatische dieren zie je weinig.
Wat ons ook erg is bijgebleven is dat je gezien wordt als een wandelende portemonnee in plaats van een bezoeker. Het is prima om je geld in te leveren maar verder moet je niks vragen of verwachten. Een beetje Indonesische of Fillipijnse vriendelijkheid en trots zou het land een stuk aangenamer maken. Het was fantastisch om te zien maar ik twijfel eraan of we ooit nog terug komen. Op naar de prachtige natuur, de warmte, de vriendelijkheid en het vertrouwde gevoel dat we zeker te weten weer in Indonesie zullen ervaren. Sumatra here we come!

Het echte Vietnam: Ninh Binh

Aangekomen in Ninh Binh hebben ze het wel heel bont gemaakt deze keer. We zijn niet eens in de juiste stad eruit gezet, en 3 uur later dan verteld. Het is 7 uur 's ochtends en we zijn in Tam Coc (toevallig net voor een guesthouse...), 9 kilometer van Ninh Binh vandaan. De taxirit door het guesthouse aangeboden wordt is belachelijk duur (3x meer dan normaal voor zo'n afstand), dus daar doen we niet aan mee. Desalniettemin is het ook wel wat veel om te lopen, dus na diverse straten in en weer uitgelopen te zijn zien we een ander hotel en vragen of ze een taxi willen bellen. Die rijdt ons vervolgens zonder problemen voor de juiste prijs naar ons hotel, alhoewel we niet op die kosten zaten te wachten.

De avond ervoor hebben we gebeld om te reserveren, maar de beste man die ons binnenlaat snapt er maar weinig van. We worden naar een kamer geleid met 2 losse bedden, maar als we vragen of we een kamer met 1 bed voor 2 personen kunnen krijgen kunnen we ineens in het nieuwe hotelgedeelte ipv de guesthouse slapen. Ook goed, dus we sjokken met onze bagage daarheen.

De eigenaresse van het hotel blijft ons tijdens het ontbijt maar vragen of we met ze een tour willen doen, maar dat willen we niet. Het gaat om meerdaagse tochten het binnenland in en met deze kou en Mer's open wonden lijkt ons dat geen goed idee. Vanaf het moment dat het duidelijk wordt dat we echt niet mee gaan houdt alle vriendelijk op en blijft zij en haar familie maar vragen wanneer we weggaan. Heel gezellig.

Ondanks de tegenwerking huren we een motor om de omgeving te gaan bekijken, we willen eerst een eeuwenoude cathedraal gaan bekijken op ongeveer 25 kilometer afstand van Ninh Binh, en als we ons stadje uitrijden begint de weg op te houden. We rijden over een zandweg met gigantische kuilen erin en veel grind erop. Het is erg vermoeiend rijden, steekkoud en we doen er een eeuwigheid over (25 km in ruim anderhalf uur) maar komen eindelijk aan in het stadje Phat Diem. De cathedraal is erg raar, de voorkant en de daken zien eruit als een buddistische tempel, en alle gebouwen zijn gemaakt van hout. Alleen binnen is er nog iets herkenbaars van de Europese katholieke kerken. Omdat er geen mis is is het terrein bijna verlaten, helaas betekend dat ook dat bijna alles op slot is. Iets waar we ons iedere keer weer over verbazen in Vietnam. Alle kerken zitten stevig op slot en mogen we niet in, maar alle tempels wordt je met open armen ontvangen. Niet echt goede marketing voor de Christenen.

Het dorpje is alsof je een eeuw terug gaat in de tijd, aan de rivier zitten honderende mensen hun koopwaar te verkopen en zijn mensen hun was in het water aan het wassen - en overal ben je even welkom. De jeugd kan helaas alleen Hello en What's your name zeggen. We rijden nog wat rond en gaan dan onderweg naar Tam Coc, waar we die ochtend gedropt waren.

Eerst even lunchen (het personeel is zo stomgeslagen dat er mensen zomaar het restaurant in komen rond lunchtijd dat er een lichte paniek uitbreekt), het is maar zo-zo. We kopen tickets voor de bootjes die ons door de bergen gaan varen en bereiden ons mentaal voor op het circus dat gaat komen.
De heenweg verloopt rustig en het uitzicht is beeldschoon. Langzaam roeit de vrouw met haar voeten (!) ons door kleine slootjes naar een keerpunt. Vastleggen op foto lukt haast niet, dit moet je echt zelf zien. Haar zoontje (?) roeit mee, en we varen tussen talloze andere bootjes rond, maar het bliijft prachtig.


Bij het keerpunt barst het dan los. Daar wachten vele bootjes om je iets te verkopen, en als je dat niet wil - dan toch zeker voor die arme vrouw die ons geroeid heeft? We weten echter dat de roeister de spullen gewoon weer terugverkoopt, en houden de boot af. Met enige tegenzin worden we teruggeroeid, en blijkt de roeister uiteraard ook een halve marktkraam mee te hebben. De mooiste *ahum* borduurwerkjes voor de nuttigste doeleindes (wederom, ahum) worden ons aangeboden. Mer heeft pech, want ze zit naast haar - Michiel voorop kan iets makkelijker stoicijns voor zich uitkijken. Het boduursel is foeilelijk en ook zonder enige passie gemaakt.
Na een kwartiertje geeft ze het op, neemt het over van haar zoon en roeien we in het gewone tempo terug. Op het laatst wordt er nog dringend om een tip gevraagd ('for baby vietnam!') maar ook dat vinden we geen plan want we hebben uitgerekend dat ze net ongeveer een weeksalaris heeft verdiend voor twee uur roeien.

We rijden daarna rustig weg op zoek naar een grot. De hotelhoudster wilde ons erg graag een toer in de mik duwen dat ze ons een hele handige kaart van de omgeving met de highlights erop heeft meegegeven, dus na enig zoekwerk vinden we de grot, met daarnaast een steile trap naar de top van een berg. Na flink wat huf-en-puf werk zijn we boven en is het uitzicht wederom beeldschoon. Op de terugweg naar de brommer kijken we nog in de grot, maar die is niet bijzonder.

Terug bij het hotel eten we wat, proberen een bad te nemen (het is behoorlijk koud) maar die spuugt na 5 minuten alleen nog koud water uit. Het nut van de badkuip ontgaat ons dus een beetje.

De volgende dag gaan we, ondanks tegensputteren van de hotelhoudster dat haar voorstel toch echt beter is, naar het Cuc Phuong National Park. Het is een 45 kilometer rijden, en de eerste paar over de snelweg. Die 2-baans snelweg verandert snel in een 14-baans ieder voor zich snelweg, en we slaan snel een rustigere weg in. We vinden het zonder problemen en nemen een gids om een trek (wandeling) te doen door het woud.
Eerst kijken we nog Gibbons en de voor Vietnam unieke Langur aapjes, er is een opvangcentrum voor apen naast de hoofdingang. Alle apen daar zijn ernstig bedreigd (50 tot 250 dieren per soort over wereldwijd) en zijn via de politie uit de handen van stropers gehaald. Ze kunnen echter nog niet terug, want ze worden dan zeker weer gevangen. Er zijn er hier 160 opgevangen, als we langs de hokken lopen horen we een orenverdovend geluid dat steeds harder wordt, de gibbons achter op het terrein hebben honger en roepen om eten. Wat een geluid, het lukt zelfs om het op te nemen. Het filmpje volgt later.

Even lunchen en we rijden een tiental kilometer het park in om de trek te doen. De gids loopt voorop en wij volgen gedwee. Het is een mooi park, maar helaas zien we geen dieren. Verkeerde seizoen, verkeerde tijd van de dag - in ieder geval is het wel een mooie wandeling.

Via kleine paadjes en vlijmscherpe rotsen lopen we door de jungle. Marilyn glijdt ergens uit en uiteraard op haar reeds pijnlijke kant. Haar broek scheurt zowat in twee delen. Een paar pleisters erop (waar nog ruimte was) en we komen naar zo'n 3-4 uur weer bij de motor uit.

Moe maar voldaan rijden we terug naar het hotel. De trein gaat pas aan het eind van de dag, dus we gaan een bus proberen te nemen naar Hanoi de volgende ochtend.

 Meer foto's.

Keizerlijke stad Hue

Na het standaard riedeltje (behalve dat we een slang onderweg zijn tegengekomen) aankomen-guesthouse zoeken-inchecken zijn we vroeg klaar en besluiten een voorproefje te nemen op de hoofdattractie in de stad zelf - de Citadel. In Hoi An hebben we al heel wat gelopen op 1 dag dus we besluiten het hier wat op te splitsen.


Het is mistig en koel. De muur van de citadel vervaagt in de mist wat een bijna eng sfeertje geeft. Op een van de grasvelden naast de muur zijn tientallen jongens in de mist aan het voetballen.


Een heel raar beeld, aan de ene kant de eeuwenoude muur en aan de andere een tafereel dat je over heel de wereld zou kunnen zien. Na een half uurtje lopen komen we bij de hoofdingang en schudden we de talloze cyclo-rijders (soort risksja) van ons af. Binnen in de citadel is het een afwisseling van volkomen vervallen (of overvallen) ruines, gerestaureerde tempels tot in goede staat gebleven gebouwen. Een aantal maquettes geven een goed beeld van de hoe het er vroeger uitzag. De keizerlijke familie woonde tot de oorlog in de citadel. De Amerikanen en de Fransen hebben grote delen van de binnenste citadel gebombardeerd en dus is er van weinig wat over.

Na een flink rondje in de citadel lopen we enkele minuten voor sluitingstijd naar buiten en terug naar de stad. Halverwege even wat boodschappen doen, en we eten in een frans restaurant (La Carambole). Het smaakt heerlijk - echte, goede biefstuk! We hebben al weken geen echt goed stuk vlees gegeten (altijd kruimeltjes of vol zenen), dit is echt heel lekker. Sowieso beginnen de noodles ons wel een beetje uit de neus te komen en eten we steeds meer westers als we ergens de kans krijgen.

Na een goede nachtrust huren we een motortje om de graftombes van voormalige keizers en hun moeders in de buurt te bekijken. We rijden eerst nog een stuk door de citadel (we hebben gister niet alles gezien) en rijden daarna via een tempel naast de Perfum rivier naar het zuiden toe.

De eerste tombe (Tu Duc) is ondanks een vreselijk slecht kaartje (een fotokopie vol ruis) snel gevonden en we kijken wat rond. Het ziet er erg indrukwekkend uit.

Maar het geeft wel een raar morbide gevoel voor westerlingen, want de keizer liet dit voor zichzelf bouwen en woonde hier tijdens zijn leven met zijn 104 vrouwen en ontelbare concubines. Niet voor te stellen als we naast een standbeeld staan van wachters die tot ons middel komen en lezen dat de keizer zo klein was dat alle standbeelden nog kleiner werden gemaakt om hem niet in verlegenheid te brengen. Het moet een flinke macho zijn geweest.

Marilyn wil na wat aandringen wel weer een stukje rijden, maar ze heeft pech - binnen enkele minuten veranderd de weg in een rotspad en onwennig rijden we naar beneden. Direct daarna verbeterd de weg even om vervolgens te veranderen in een modderpad tussen de rijstvelden - geen makkie als je weinig ervaring hebt! We glibberen bijna onderuit en Michiel rijdt, met veel moeite, de brommer in zijn eentje de paar honderd meter het veld uit. Marilyn loopt voorop om niet ondergespetterd te worden door de slippende achterband.


Eindelijk weer een verharde weg, dus Marilyn rijdt ons verder. We gaan even lunchen bij een verlaten wegrestaurant - plaats voor 300 man, en alleen wij zitten er. Er is geen menu, dus we bestellen maar wat met handen en voeten want niemand spreekt Engels en ons Vietnamees verstaan ze niet. Het is niet vies, maar wel smakeloos. Tijd voor de volgende bestemming (tombe)!

Bovenop een brug pauzeren we even om foto's te maken.

Vrachtwagens zoeven om centimeters langs ons, dus we maken het niet lang. Terwijl Marilyn de motor start maakt Michiel nog wat foto's. De motor wil echter niet starten dus Mer geeft wat gas bij - en maakt een klassieke fout. De motor staat in de eerste versnelling en Mer valt half van de motor; deze rijdt echter onverstoord door en Mer wordt langs de brugrand geraspt als een stuk kaas. Bang om de motor te laten vallen houdt ze hem vast, maar dus ook het gas. Uiteindelijk wint de motor en schiet onder haar weg. Ze is nog niet aan de kant van de weg tot er een bus aankomt zetten op onze rijbaan, waar de brommer nu ligt. Michiel sleept hem snel weg, en Marilyn heeft flink wat pijn nu de adrenaline wegzakt. Met een gat in haar broek, bleekziend en vol schaafwonden en sneden rijden we snel (Michiel rijdt) de laatste 2 kilometer naar de tombe om even bij te komen op een bankje.

Haar hele rechterkant zit vol pijnlijke plekken - een snee in haar duim, een enorme schaafwond op de schouder, een snee en schaafwond op de heup en ga zo maar door. De verkoopsters bij de parkeerplaats schrikken zich rot. We kopen wat water (om te spoelen) en cola (om bij te komen), en iemand biedt aan om de wonden schoon te maken. Zoveel middelen hebben we niet bij ons, dus we nemen het aanbod aan. Met watjes en zo te zien peroxide wordt de boel schoongemaakt terwijl we zelf andere plekken verzorgen en met het zakmes zand en gruis uit de sneden halen.

De pijn valt mee, dus we gaan toch even de tombe bezoeken. Na zoveel moeite nu afhaken vindt Mer maar niks. De tombe van Minh Mang is sprookjesachtig mooi. We worden bij de ingang begroet door een woendende, blazende gans, die zelfs door de wachters niet makkelijk weggejaagd wordt. We lopen voor een grote groep Nederlandse toeristen uit naar de drie verschillende vertrekken door naar de tombe. We dalen een trap af en staan voor een maanvormig meer met lelies en waterpest. Over het meer is een oude brug die naar een grote poort leidt op een berg. De poort is helaas gesloten, want hierachter ligt de tombe van Minh Mang. Het is een adembenemend uitzicht vanaf de trap.

Logischerwijs rijden we hierna terug naar het hotel. Marilyn doucht even om de wonden verder schoon te maken, en na een gezonde dosis betadine op de wonden en pleisters uit de voorraad houden we het voor vandaag gezien. De pijnstliller cq wondverzorger die we gekocht hadden voor Michiel's motoruitlaatbrandwond komt goed van pas, al doet het goed zeer voor het ingewerkt is. We eten bij een restaurant dat Hot Tuna heet, op de eerste verdieping buiten op het terras met onze jassen aan. We worden positief verrast door een 5 sterren diner op grote mooie borden en met echt bestek. In heel Vietnam hebben we alleen met stokjes gegeten of met bestek dat zo krom en scherp aan de randen is dat er onmogelijk normaal mee gegeten kan worden. We doen nog een borrel na en gaan voldaan richting ons guesthouse om te slapen.

Ondanks de flinke voorraad medicijnen die we mee hebben, zijn er niet genoeg grote pleisters om de wonden langdurig af te dekken. Tijd om een apotheek te zoeken, maar na 2 stuks en een warrige blik wat je met zulke pleisters zou moeten gaan we maar naar het ziekenhuis van Hue.
Het is zondag en de grote apotheek is dicht, we worden door iemand naar binnen gestuurd maar bij de apotheek hebben ze geen pleisters? We beginnen nu wel een beetje bang te worden, want we moeten de wonden wel schoon kunnen houden. Op de terug weg ziet Mer ergens weggestopt een piepklein apotheekje van nog geen 1,5 meter breed, maar waarrempel, ergens uit een doos komen 10 grote steriele pleisters in twee maten, en de houdbaarheidsdatum is nog niet verlopen. We kopen de hele voorraad op. We hebben verder niet veel gepland, want 's avonds om vijf uur vertrekt onze nachtbus richting een klein stadje dat Ninh Binh heet, zo'n 100 kilometer onder Hanoi.

We wisselen nog wat boeken bij een cafetje voor nieuwe en werken ons blog bij. De nachtbus ziet er min of meer hetzelfde uit als de vorige en we moeten (waarschijnlijk omdat we zo lang zijn) weer helemaal achterin de bus gaan liggen. Gelukkig kunnen we kiezen en gaan bovenin liggen zodat we rechtop kunnen zitten voor de eerste paar uur als het nog geen tijd is om te slapen.

Meer foto's.

Openlucht museum Hoi An

Natuurlijk zet de nachtbus ons niet af bij het busstation maar bij een guesthouse waar ze een deal mee heben, het vervelende is dat die guesthouses bijna nooit in het centrum zitten. Deze ook niet, er staan ik weet niet hoeveel brommertjes en taxi's voor de deur om alle toeristen weg te brengen. Na vele verzoeken van het guesthouse om bij hun te slapen afgeslagen te hebben lopen we richting centrum. Als het goed is is dat maar een kilometer.

Alle guesthouses die we eerder via de reisgids of via het internet hebben opgezocht hebben hun prijzen verdubbeld, of verdriedubbeld, dus kiezen we uiteindelijk een ander guesthouse met betaalbare kamers. Klein, basaal en zonder ontbijt maar wel met warm water, geen luxe - want het is erg koud in Hoi An. Als we op de kamer onze bagage uitpakken realiseren we ons dat we onze enveloppe met travelercheques en een groot gedeelte van ons geld in de kluis bij het vorige guesthouse in Nha Trang (12 uur rijden van Hoi An vandaan) hebben achtergelaten. Het is veel te ver om terug te gaan dus bellen we meteen het guesthouse en die beloven de envelop die middag met de nachtbus mee te sturen zodat we die morgen bij een groot hotel op kunnen halen. Erg spannend maar veel keus hebben we niet.


Ondanks dat we ons redelijk gebroken voelen gaan we toch de stad in, we hebben met het zoeken naar een guesthouse al een glimps opgevangen en het is waanzinnig, alsof de tijd heeft stil gegestaan. Maar helaas wel heel toeristisch. We kopen een passe-partout waarmee we in een pagoda, een huis, een museum en nog een ander 'iets' mogen. We gaan kijken bij een werkplaats waar ze lampionnen maken van zijde, een van de specialiteiten in Hoi An. We kopen twee prachtige blauw/groene lampionnen, mooi voor in ons nieuw te vinden huis in Nederland als we terug komen.

Vooral het huis dat we bezoeken is erg mooi, de zevende generatie van een familie woont er nog altijd, maar stelt het grootste gedeelte van het huis open voor publiek. We krijgen van een van de vrouwen van de familie een kopje groene thee terwijl een ander ons verteld over de familie en het huis. Als we uitgekeken zijn gaan we via de achterkant van het huis eruit en staan dan naast het kanaal waar vroeger alle goederen over vervoerd werden.

We zien heel veel mensen in het kanaal op bootjes die geld vragen aan Westerlingen als deze een foto willen nemen. De volgende dag zien we dat de exact zelfde mensen met exact dezelfde kleren, op exact dezelfde plaaats in het kanaal zitten. Dat neemt de charme toch wel een beetje weg.

Het centrum is erg klein, en na een ochtend en middag hebben we alles gezien en gaan we een biertje drinken in een van de oude huizen die uitkijkt over het stadje. Inmiddels is het nog kouder geworden en is het niet lekker meer in ons t-shirt. We gaan terug naar ons guesthouse om ons warmer aan te kleden en daarna wat te eten. We hebben gelezen dat Hoi An bekend staat om een aantal unieke gerechten, en dus bij het avondeten nemen we een menu met alle verschillende specialiteiten. Het eten is ongelovelijk lekker, gestoomd rijstpapier gevuld met garnaal (soort overgare ravioli), pannekoekjes van rijst gevuld met groenten en noodlesoep met gegrild varken.

De volgende dag worden we wakker met regen. Maar gelukkig is het tegen de tijd dat we een brommer huren slechts aan het miezeren en besluiten we toch maar op pad te gaan met windjacks en ponchos. Eerst rijden we langs het hotel waar onze envelop zou moeten zijn afgeleverd, en gelukkig is het gelukt!

Na ons geld opgehaald te hebben rijden we 25 kilometer naar het dichtstbijzijnde stadje Danang om treinkaartjes te kopen voor de volgende dag. Hoi An heeft geen treinstation, en we hebben gelezen dat de rit van Danang naar onze volgende bestemming Hue prachtig schijnt te zijn in de trein. De stad zelf is vreselijk lelijk - industrieel en half bouwterrein.

Na het treinstation bezoeken we een aantal bergen waar marmer gewonnen wordt. Bovenop een van de bergen staat een pagoda en vinden we in een serie grotten boedda beelden, de rook van de wierook en de weinige toeristen maken het een sprookje.

Op de terugweg begint het keihard te regenen, gelukkig kunnen we bij een pompstation even schuilen en rijden we terug naar Hoi An. We gaan naar het centrum om Danielle's verjaardagscadeautje te kopen en deze samen met de lampionnen naar het postkantoor te brengen. De lampionnen zijn te groot om de hele reis mee rond te lopen en de internationale post is hier erg goedkoop, nu maar hopen dat het ook echt aankomt, want dat is natuurlijk maar de vraag. Het zal in ieder geval niet aan de verpakking liggen, in het postkantoor wordt gratis, op maat een doos gemaakt, de vervolgens met een volledig rol tape dichtgeplakt wordt.
Er kan alleen nog iemand bij als je de hele doos sloopt.

Inmiddels is het gestopt met miezeren en gaan we borrelen in de stad, bij ons in de straat en eten we bij het zelfde Vietnamese restaurantje als de avond ervoor - iets wat we niet vaak gedaan hebben. Daarna regelen we op straat twee mensen de ons de volgende dag achterop hun motor naar het treinstation. We spreken om 11 uur 's ochtends af en onze trein gaat een uur en een kwartier later. Wij hebben de rit in drie kwartier gereden, en ook zij geven aan dat we er om 11:45 zullen zijn - we vertellen niet dat de trein om 12:15 gaat, zodat we wat speling hebben.
Maar om 11 uur is er niemand te bekennen, Mer had al zo'n voorgevoel dus Michiel gaat naar de straat waar we de mensen ontmoet hebben terwijl Mer wacht met de backpack voor het geval ze toch nog komen. Maar nee hoor, ze stonden gewoon op straat. Ze komen ons vervolgens bij het guesthouse halen na enig aandringen en we kruipen de stad uit, stoppen nog voor benzine en dan... blijven we 30 kilometer per uur rijden, af en toe 40 kilometer op wegen waar 60 gereden mag worden. Ze spreken net als alle andere Vietnamezen geen woord Engels en we beginnen hem aardig te knijpen of we de trein nog wel gaan halen. Als we bij de rand van de stad komen willen ze ons eerst bij het busstation afzetten, of helemaal naar Hue brengen (2,5 uur met de trein) dat lijkt ons geen goed idee achter op de brommer.
We gaan weer verder op een slakkengang, ergens in de stad zien we een klok twaalf uur staan. Nog 15 minuten en onze trein vertrekt, als we het station binnen rijden is het tien over twaalf, Michiel betaalt gauw de dame van het stel en als we richting ingang willen gaan rennen begint de dame te sputteren dat ze dubbel het geld willen. We zijn zo boos dat we niet eens in discussie gaan, zeggen dat ze gek zijn en rennen het perron op. De trein staat er al en we gaan gauw naar binnen.

Pff, toch even stressen op reis maar we hebben de trein gehaald!